· 

Omgevingswet: lozingen afvalstoffen bedreigen waterkwaliteit, strenger toezicht noodzakelijk

In Binnenlands Bestuur (week 47, jaargang 44) stond een boeiend artikel over een test van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) met als conclusie dat wie een vergunning aanvraagt voor een veel voorkomende activiteit, als een schuur bouwen of een dakkapel, in de praktijk nog steeds contact moet zoeken met de gemeente. Door de afzonderlijke input van de overheidslagen in het DSO kent het systeem nogal wat dubbele vragen. De cartografie van de Beschermde Soorten Indicator kan gebruiksvriendelijker, net als de daar gehanteerde lijst met omschrijvingen. De waterschappen bedienen zich van onbegrijpelijke taal. Al met al betekent het dat het digitale loket voorlopig nog vooral leunt op advieswerk van gemeenten. Dát is een weinig fraaie conclusie. Sinds 2018 (nota bene) zijn we hiermee bezig en op de dag van invoering volgens planning op 1 januari 2024 zijn we er nog niet klaar voor, al beweert het College van B&W dat dat wel het geval is.

 

Wat de fractie van Onafhankelijk Papendrecht nog het meeste vreest is de soepelere regels ten aanzien van lozing van afvalwater onder de Omgevingswet. Ook hier luidde het motto van de nieuwe Omgevingswet dat ‘eenvoudig’ ook ‘beter’ was. Maar of het doel, een bundeling van 26 wetten, tot betere besluitvorming gaat leiden is de vraag. De nieuwe wet zou ruimte bieden voor maatwerk en besluitvorming over de openbare ruimte eenvoudiger gaan maken.

 

Decentrale overheden mogen zelf meer bepalen of een vergunning nodig is, en zo ja onder welke voorwaarden, voor het lozen van afvalwater. De Unie van Waterschappen laat zich kritisch uit ten aanzien van de risico’s. Zij beschermen immers de waterkwaliteit. Dat doen ze door strenge eisen in lozingsvergunningen te stellen. Maar bevoegde gezagen, zoals de gemeente, de omgevingsdienst en de provincies, kunnen andere belangen hebben, bijvoorbeeld economische belangen. En die kunnen in de praktijk van alledag strijdig zijn met de noodzakelijke scherpere lozingseisen. De ervaring leert ons dat ‘water’ bij de bestuurlijke afweging niet altijd de hoogste prioriteit heeft.

 

Zorgen maakt de Unie zich over lozingen waar gemeenten en provincies over gaan, sinds de invoering van de Waterwet (in 2009). Want die indirecte lozingen, via het riool, vormen het gros van de industriële lozingen. Vaak laten gemeenten de handhaving op de vergunningen, die ook vaak nog eens onvolledig zijn, over aan de omgevingsdienst, waarvan bestuurders bepalen waar de prioriteiten liggen. Naast de Unie is de drinkwatersector er allerminst gerust op dat de komst van de Omgevingswet de waterkwaliteit ten goede zal komen.

 

Steeds vaker moeten drinkwaterbedrijven de inname stilleggen omdat ze te hoge concentraties van een stof of van een onbekende stof meten. Daarnaast moeten zij tientallen miljoenen euro’s investeren in complexe zuiveringstechnologie, omdat gangbare technieken onvoldoende in staat zijn risicovolle stoffen als PFAS te verwijderen. De drinkwatersector is bezorgd over de omkering van het principe. Waar nu nog geldt ‘verboden te lozen, tenzij’, geldt straks bij de Omgevingswet het omgekeerde, namelijk ‘lozen is toegestaan, mits’. Dit betekent dat de vergunningsplicht alleen nog geldt voor lozingen met een zware milieubelasting. De overige lozingen vallen onder algemene regels of hebben een meldingsplicht. Hiermee lopen we het risico de controle te verliezen op lozingen van stoffen, met allerlei risico’s voor het milieu en drinkwaterbronnen.

 

Partijen buiten de watersector ontbreekt het over het algemeen aan de kennis op het gebied van risicovolle stoffen. Daar zitten ook risico’s dat er in de toekomst bij lozingen zaken misgaan. Wat zou kunnen helpen is de vergunningen voor indirecte lozingen openbaar te maken, wat nu niet het geval is, zodat de controle hierop beter mogelijk wordt. Komt die grotere transparantie op met name de indirecte lozingen er niet, dan is de kans groot dat deze lozingen onder de Omgevingswet uit zicht raken. Drinkwaterbedrijven kunnen wijzen op de zorgplicht die gemeenten en provincies hebben voor de openbare drinkwatervoorziening en omgevingsdiensten zullen streng moeten meekijken. Onze conclusie is dan ook dat er aan de Omgevingswet nog risico’s kleven, waarvan de soepelere regels voor met name de indirecte lozingen van industriële stoffen tot een verslechtering van de waterkwaliteit kan leiden.

 

De fractie van Onafhankelijk Papendrecht is van mening dat de gemeente, ten eerste, de informatie van het drinkwaterbedrijf altijd serieus moet nemen, ten tweede, moet aansturen op openbaarmaking van de vergunningen en, ten derde, moet samenwerken met andere partijen zoals de omgevingsdienst om de waterkwaliteit op één te zetten en niet ten koste te laten gaan van economische belangen die een negatieve impact hebben op de waterkwaliteit.